Aansprakelijkheid bij schade: wanneer ben je juridisch aansprakelijk?
Aansprakelijkheid bij schade: wanneer ben je juridisch aansprakelijk?
Wie schade lijdt, wil meestal één ding weten: kan ik iemand aanspreken en krijg ik mijn schade vergoed? In het Nederlandse aansprakelijkheidsrecht is het antwoord vaak te vinden in de onrechtmatige daad. Die term klinkt zwaar, maar gaat in de praktijk over alledaagse situaties: een gevaarlijke situatie creëren, onvoldoende waarschuwen, onvoorzichtig handelen, of een norm overtreden waardoor een ander schade lijdt.
Juridisch begint het met de vraag of het gedrag “onrechtmatig” is. Dat kan omdat iemand een wettelijke plicht schendt, inbreuk maakt op een recht van een ander, of handelt in strijd met wat volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Dat laatste criterium wordt in gevaarzettingssituaties vaak concreet gemaakt aan de hand van de bekende Kelderluik-factoren van de Hoge Raad: hoe waarschijnlijk is het dat onoplettendheid tot een ongeval leidt, hoe groot is de kans op schade, hoe ernstig kunnen de gevolgen zijn en hoe bezwaarlijk zijn preventieve maatregelen? Die benadering is praktisch, omdat zij dwingt tot een feitenanalyse: niet alleen wat is er gebeurd, maar ook of het risico voorzienbaar was en welke maatregelen redelijk waren.
Daarna komt de toerekening. Niet iedere onrechtmatigheid leidt automatisch tot aansprakelijkheid; het gedrag moet aan de aangesproken partij kunnen worden toegerekend. Dat kan door schuld, maar ook “naar verkeersopvattingen”, bijvoorbeeld omdat iemand verantwoordelijk is voor een risicovolle situatie, een onderneming drijft of bepaalde risico’s bewust accepteert. In een zakelijke context speelt daarnaast regelmatig wanprestatie (tekortkoming in de nakoming) een rol; ook dan draait het uiteindelijk om normschending, toerekening en schade, maar de bron van de norm ligt dan in het contract.
Het derde en vaak beslissende element is causaliteit. Je moet aannemelijk maken dat het gedrag de schade heeft veroorzaakt. In de letselschadepraktijk gaat het zelden alleen om het ongeval; de discussie verschuift snel naar klachtenverloop, pre-existente problematiek en alternatieve oorzaken. De juridische kernvraag is tweeledig: zou de schade zonder het incident ook zijn ontstaan (feitelijke causaliteit), en is de schade redelijkerwijs toe te rekenen aan dit incident (juridische causaliteit)? De tweede stap is belangrijk omdat het recht niet elke ver verwijderde gevolgschade onbeperkt toerekent.
Vervolgens moet de schade zelf concreet worden gemaakt. Aansprakelijkheid zonder schade is een lege huls; schade zonder onderbouwing evenzeer. In letselschade gaat het doorgaans om medische kosten, reiskosten, verlies aan verdienvermogen, huishoudelijke hulp, studievertraging, kosten van zelfwerkzaamheid en immateriële schade (smartengeld). In zakelijke dossiers spelen daarnaast vaak herstelkosten, expertisekosten, bedrijfsschade en gevolgschade een rol, waarbij de grens tussen directe schade en afgeleide schade juridisch relevant kan worden.
In de praktijk strandt een claim zelden op “het recht”, maar vaak op bewijs. Een sterk dossier begint daarom bij vastlegging van feiten: foto’s, getuigen, incidentregistraties, correspondentie, en in letselschadezaken: onmiddellijke medische documentatie. Wie pas later medische klachten rapporteert, creëert ruimte voor causaliteitsdiscussie. Daarnaast is consistentie cruciaal: het verhaal in de aansprakelijkstelling, de medische stukken, het re-integratiedossier en de schadeopstelling moeten op elkaar aansluiten.
Tot slot is er de strategische vraag: hoe kom je tot betaling? Veel zaken worden minnelijk geregeld, maar dat vereist druk op de juiste punten: duidelijke aansprakelijkstelling, verzoek om verzekeringsdekking, concrete schadebegroting en – waar dat redelijk is – voorschotten. Als overleg vastloopt, kan een deelgeschilprocedure (bij letselschade) of een civiele procedure (bij bredere aansprakelijkheid) de impasse doorbreken.
Vittoria Law beoordeelt bij aansprakelijkheidskwesties niet alleen of iemand juridisch aangesproken kan worden, maar vooral of dat ook bewijsbaar en verhaalbaar is. Dat is doorgaans het verschil tussen gelijk hebben en gelijk krijgen.










