“Geen redelijke kans op succes”: mag de verzekeraar mijn zaak weigeren?
Rechtsbijstand geweigerd: ‘geen redelijke kans op succes’ – wat betekent dit en wat kun je doen?
De meeste rechtsbijstandpolissen mogen bij aanvang én tijdens de behandeling toetsen of er een redelijke kans bestaat om het beoogde resultaat te bereiken. Als die kans ontbreekt, mag de verzekeraar in beginsel weigeren of de hulp beëindigen, maar dat moet goed gemotiveerd gebeuren. Juist omdat er dan een belangenconflict kan spelen (kostenbesparing versus jouw belang), geeft de wet je een tegenwicht: de onafhankelijke geschillenregeling, waarbij een onafhankelijke advocaat de aanpak of haalbaarheid beoordeelt op kosten van de verzekeraar.
De redelijke kans als breekpunt bij een beroep op vrije advocaatkeuze
In de praktijk is “geen redelijke kans” een van de meest voorkomende breekpunten tussen verzekerde en rechtsbijstanduitvoerder. Het voelt alsof je zaak inhoudelijk is afgeschreven, terwijl jij het probleem juist als dringend en onrechtvaardig ervaart. Toch is het criterium op zichzelf niet vreemd. Rechtsbijstand is geen blanco cheque voor procederen; het is een verzekering die beoogt zinvolle geschillen op te lossen. De verzekeraar moet dus kunnen voorkomen dat hij structureel kosten maakt voor dossiers die objectief nauwelijks perspectief hebben.
Het probleem is alleen dat “perspectief” geen wiskunde is. Het hangt af van feiten, bewijs, strategie en timing. Een zaak kan op maandag “kansarm” lijken omdat een essentieel stuk ontbreekt, en op donderdag “kansrijk” worden omdat dat stuk boven water komt. Of een procedure kan onzeker zijn, maar een schikking of een andere route (bijvoorbeeld een deskundigenonderzoek of een formeel bezwaar) juist heel reëel. Daarom legt de literatuur nadruk op motivering: als de verzekeraar weigert of stopt op de redelijke-kans-clausule, moet dat gemotiveerd aan de verzekerde worden meegedeeld.
De literatuur beschrijft daarnaast het onderliggende spanningsveld expliciet: er kan een belangenstrijd ontstaan omdat de verzekeraar omwille van kostenbesparing een belang kan hebben bij het afwijzen of niet langer voortzetten van een zaak. Precies daarom wordt de geschillenregeling als waarborg neergezet.
Wat is een redelijke kans?
Wat is dan “een redelijke kans”? Verzekeraars formuleren het vaak als een kans op het beoogde resultaat, in verhouding tot het procesrisico en de kosten. Rechters en geschillenadviseurs kijken doorgaans inhoudelijker: klopt de juridische grondslag, is het bewijs in beginsel toereikend of is aanvullend bewijs realistisch te verkrijgen, en is de gekozen route passend? Het gaat dus niet alleen om “winnen of verliezen”, maar om de redelijkheid van het traject.
Voor jou als verzekerde is het daarom cruciaal om een afwijzing te behandelen als een juridisch standpunt dat je kunt toetsen, niet als een einduitspraak. De eerste stap is bijna altijd: vraag om een concrete motivering op dossierniveau. Welke feiten acht men ongunstig? Welke juridische norm staat in de weg? Welk bewijs ontbreekt? Vaak blijkt dan dat er vooral onzekerheid is, niet dat de zaak kansloos is. En juist onzekerheid kun je reduceren: door stukken op te vragen, door een tijdlijn te maken, door getuigen of correspondentie te bundelen, of door een deskundige te laten kijken.
Een oplossing: de geschillenregeling
Als de verzekeraar bij zijn standpunt blijft, is de volgende stap de geschillenregeling. Het Handboek citeert de wettelijke verankering van die regeling in art. 4:68 Wft: de overeenkomst moet uitdrukkelijk voorzien in een scheidsrechterlijke of vergelijkbare objectieve procedure om te bepalen welke gedragslijn bij verschil van mening wordt gevolgd.
De praktische uitwerking is dat de verzekeraar een in Nederland ingeschreven advocaat om juridisch advies vraagt over de vraag of verdere behandeling een redelijke kans heeft, of over de juiste juridische aanpak, waarbij de advocaat onafhankelijk tegenover beide partijen moet staan. De kosten van dat advies zijn voor rekening van de verzekeraar.
Belangrijk detail: de onafhankelijk adviseur baseert zich in beginsel op het dossier, maar als evident is dat stukken ontbreken die nodig zijn voor een juiste beoordeling, moet hij die stukken opvragen. Het Handboek is daar uitgesproken over: voor de opvatting dat de adviseur “het maar moet doen met wat er ligt” is geen steun in de wet. Dit is in de praktijk vaak het verschil tussen een zinvolle second opinion en een papieren exercitie.
Daarna: een bindend advies
Wat gebeurt er daarna? Als het bindend advies (of de onafhankelijke beoordeling) luidt dat de verzekeraar terecht heeft aangenomen dat er geen redelijke kans is, betekent dat niet automatisch dat de verzekeraar onzorgvuldig was als jij later alsnog een goed resultaat behaalt. Het Handboek benoemt expliciet dat een later succes niet per se bewijst dat het eerdere negatieve haalbaarheidsoordeel fout was; het oordeel wordt beoordeeld naar de stand van zaken op dat moment. Dat is belangrijk, omdat je je proceshouding daarop moet aanpassen: het doel van de geschillenregeling is niet “achteraf gelijk krijgen”, maar nu een objectieve koers bepalen.
Waar gaat het in de praktijk vaak mis? Niet zelden bij dossierselectie en framing. Als jij in emotie een breed verhaal neerlegt (“ik ben onrecht aangedaan”), maar de juridische kern (welke norm, welk stuk, welk bewijs) blijft vaag, is het voor een uitvoerder makkelijk om het als kansarm te kwalificeren. Andersom geldt: een scherp gestructureerd dossier met een duidelijke rechtsvraag en een concreet bewijsplan wordt veel sneller als behandelbaar gezien.
De kracht van Vittoria Law
Daar zit ook de kracht van Vittoria Law. Wij maken van een “kansarm” label een toetsbare stelling. Soms blijkt inderdaad dat het juridisch moeilijk ligt; dan is eerlijk advies de beste schadebeperking. Maar vaak blijkt dat de zaak vooral verkeerd is gepositioneerd, of dat een cruciale bewijsstap is overgeslagen. Met een dossieranalyse en een strakke brief die de geschillenregeling inroept en het geschilpunt afbakent, ontstaat meestal weer beweging.










