Opstalaansprakelijkheid (6:174 BW): schade door gebrekkige opstal
Opstalaansprakelijkheid (6:174 BW): schade door gebrekkige opstal
Soms ontstaat schade niet door een actieve fout van iemand, maar doordat een gebouw, installatie of terrein niet veilig blijkt. Denk aan loszittende gevelonderdelen, een trap zonder deugdelijke leuning, een instabiel balkon, een parkeergarage met structurele gladheid of een bedrijfsinstallatie die faalt. In zulke gevallen komt opstalaansprakelijkheid in beeld: de bezitter van de opstal kan aansprakelijk zijn als de opstal gebrekkig is en daardoor gevaar oplevert.
De kern is het begrip “gebrek”. Een opstal is gebrekkig wanneer zij niet voldoet aan de eisen die men in de gegeven omstandigheden aan veiligheid mag stellen. Dat is geen abstract criterium; het vraagt een contextanalyse. De veiligheidsverwachting is hoger bij publieke ruimten met veel bezoekers dan bij een afgesloten privéterrein. Ook spelen de kenbaarheid van het gevaar, de kans op ongevallen en de bezwaarlijkheid van maatregelen een rol. Het gaat dus om de vraag of de bezitter redelijkerwijs maatregelen had moeten nemen, zoals onderhoud, inspectie, waarschuwing of afsluiting.
Opstalaansprakelijkheid is in beginsel risicoaansprakelijkheid. Dat betekent dat niet altijd hoeft te worden bewezen dat de bezitter “schuld” heeft. In de praktijk schuift het debat daardoor naar de feiten: was er een gebrek, was dat gebrek gevaarzettend, en is het gebrek causaal voor de schade? Verweren richten zich vaak op “geen gebrek” (normaal risico), eigen schuld (onoplettendheid), of op alternatieve oorzaken (bijvoorbeeld oneigenlijk gebruik). Bij technische kwesties is het regelmatig noodzakelijk om een deskundige in te schakelen: een bouwkundige, installatiedeskundige of veiligheidskundige.
Voor benadeelden is snelheid belangrijk. Foto’s van de situatie, meldingen bij beheerder, getuigen en eventueel camerabeelden moeten worden veiliggesteld. Onderhoudslogboeken en inspectierapporten zijn vaak doorslaggevend, maar zitten bij de wederpartij; die vraag je dus zo vroeg mogelijk op, desnoods met een formeel verzoek tot bewijsbewaring. In letselschadezaken geldt daarnaast het bekende vereiste van medische vastlegging en consistente klachtenregistratie.
Bij schadebegroting moet je breder kijken dan directe kosten. Naast herstelkosten en medische kosten kunnen verlies aan verdienvermogen, re-integratiekosten, huishoudelijke hulp en smartengeld relevant zijn. Vooral bij openbare-ruimte-ongevallen wordt de schade vaak onderschat omdat men focust op “de val” en niet op de lange staart van herstel, beperkingen en werkgevolgen.
In de praktijk van personenschade is het vooral de combinatie van technisch bewijs en medische onderbouwing die het verschil maakt. Vittoria Law brengt die lijnen samen, zodat een opstalzaak niet verzandt in een welles-nietes over onderhoud, maar wordt beslist op toetsbare feiten.










