Causaal verband bij letselschade: zo bewijs je het verband tussen ongeval en klachten
Causaal verband bij letselschade: zo bewijs je het verband tussen ongeval en klachten
In vrijwel elke letselschadezaak komt het moment waarop de verzekeraar zegt: “Wij betwisten het causaal verband.” Dat is zelden persoonlijk; het is het draaipunt van het systeem. Zodra causaliteit onzeker is, verschuift de discussie van aansprakelijkheid naar bewijs: zijn de klachten door het ongeval veroorzaakt, en welke schade vloeit daaruit voort?
Het helpt om causaliteit in twee lagen te zien. Eerst feitelijke causaliteit: zou de schade ook zijn ontstaan zonder het ongeval? Daarna juridische causaliteit: is het redelijk om deze schade aan het ongeval toe te rekenen? In letselschade is de feitelijke causaliteit vaak medisch van aard. Niet ieder klachtenbeeld is te “objectiveren” met röntgen of MRI, maar dat betekent niet dat het niet bestaat. Het recht vraagt geen perfecte zekerheid, wel een overtuigend en consistent bewijsbeeld.
Bij klachten zonder duidelijke afwijkingen is de lijn in de rechtspraak dat de benadeelde het verband kan bewijzen met een samenstel van omstandigheden: consistent klachtenpatroon, plausibel ongevalsmechanisme, medisch vastgelegde klachten kort na het incident, passende behandeling, en een duidelijke verandering in functioneren. In de whiplashpraktijk is het arrest Zwolsche Algemeene/De Greef (HR 8 juni 2001) vaak het vertrekpunt voor de gedachte dat ook niet-objectiveerbare klachten tot aansprakelijkheid en schade kunnen leiden als het bewijsbeeld overtuigt. Het gaat dus niet om “bewijs van letsel op een scan”, maar om bewijs van beperkingen en gevolgen die plausibel terug te voeren zijn op het incident.
Causaliteitsdiscussies ontstaan vooral door drie valkuilen. De eerste is late medische vastlegging. Als de huisarts pas weken later klachten noteert, is de deur open voor het verweer dat klachten later zijn ontstaan of andere oorzaken hebben. De tweede valkuil is inconsistentie tussen bronnen: het re-integratiedossier zegt dat iemand volledig belastbaar is, terwijl de specialist ernstige beperkingen noteert. De derde is onduidelijkheid over pre-existente klachten. Pre-existentie sluit causaliteit niet uit, maar vereist een nette vergelijking: wat was de uitgangssituatie, en wat is door het ongeval verergerd of geactiveerd?
In complexe zaken is een onafhankelijke medische expertise vaak het scharnierpunt. De kwaliteit van de vraagstelling is dan bepalend. Je wilt niet alleen een diagnose, maar vooral functionele beperkingen en een prognose. Daarna volgt de vertaling naar arbeid en inkomen via arbeidsdeskundige beoordeling en rekenkundige schadeberekening. Zonder die keten blijft causaliteit een abstract debat, terwijl het in werkelijkheid moet landen in concrete schadeposten.
Soms is causaliteit niet zwart-wit te bewijzen, bijvoorbeeld bij multi-factoriele klachten of blootstellingsovergangen. In uitzonderlijke situaties kent het recht benaderingen zoals proportionele aansprakelijkheid (bekend uit Nefalit/Karamus) om te voorkomen dat een benadeelde volledig met lege handen staat als vaststaat dát een normschending risico heeft verhoogd maar exacte causaliteit niet meer te reconstrueren is. Dat blijft echter uitzonderlijk en sterk feitelijk; het onderstreept vooral hoe belangrijk het is om causaliteit vroeg en zorgvuldig op te bouwen.
Vittoria Law benadert causaliteit als dossierarchitectuur: tijdlijn, medisch verhaal, functioneren, werkgevolgen en schadeposten moeten logisch in elkaar grijpen. Als die keten klopt, wordt causaliteit meestal geen blokkade maar een afrondbare discussie.










