Wanneer is iemand een ondergeschikte en wanneer is de werkgever dan aansprakelijk?
Wanneer is iemand een ondergeschikte en wanneer is de werkgever dan aansprakelijk?
In veel zaken is niet de fout zelf het lastigste punt, maar de vraag of degene die de fout maakte wel als ondergeschikte in de zin van art. 6:170 BW kan worden aangemerkt. Dat lijkt soms eenvoudig, maar in de praktijk is het een juridisch scherp afbakeningsvraagstuk. Niet iedereen die werkzaamheden voor een ander verricht, is automatisch een ondergeschikte.
Wanneer is iemand een ondergeschikte?
De kern ligt in de gezagsverhouding. Volgens de literatuur is beslissend of aan iemand werkzaamheden zijn opgedragen die hij volgens aanwijzing van een ander moet verrichten, waarbij die ander kan ingrijpen in de wijze waarop de taak wordt uitgevoerd. Dat betekent niet dat de ondergeschikte voortdurend onder direct toezicht hoeft te staan of geen enkele zelfstandigheid mag hebben. Ook leidinggevend personeel, artsen in dienstverband en andere functionarissen die hun werk grotendeels zelfstandig verrichten, kunnen ondergeschikten zijn zolang een juridische gezagsverhouding bestaat.
Wie is géén ondergeschikte?
Niet iedereen die in opdracht van een ander werkt, valt onder art. 6:170 BW. De klassieke onafhankelijke opdrachtnemer, de aannemer, de notaris of de advocaat zijn in beginsel geen ondergeschikten van hun opdrachtgever. Juist daar zit het verschil tussen art. 6:170 BW en andere aansprakelijkheidsfiguren, zoals aansprakelijkheid voor niet-ondergeschikte opdrachtnemers. Het feit dat iemand voor een ander werkt, is dus onvoldoende; het gaat om de mate van zelfstandigheid en het bestaan van gezag of instructiebevoegdheid. Dat sluit aan bij de meer algemene vraag naar de juiste juridische grondslag, zoals besproken in Wanneer is iets onrechtmatig? De drie gronden van art. 6:162 BW.
Wanneer is er voldoende verband tussen de fout en de opgedragen taak?
Niet iedere fout van een werknemer leidt automatisch tot aansprakelijkheid van de werkgever. Vereist is dat er voldoende verband bestaat tussen de fout en de opgedragen taak. De wet werkt daarbij met twee elementen: de kans op de fout moet door de opdracht tot het verrichten van de taak zijn vergroot, en de werkgever moet zeggenschap hebben gehad over de gedragingen waarin de fout was gelegen. Dat wordt ook wel functioneel verband genoemd. Een fout in de privésfeer, geheel los van het werk, zal daarom meestal buiten art. 6:170 BW vallen. Maar zodra de werkzaamheden de gelegenheid, de middelen of de positie hebben verschaft waardoor de fout kon worden gemaakt, kan aansprakelijkheid juist wel in beeld komen. Dat raakt inhoudelijk aan Wat is gevaarzetting en wanneer ben je aansprakelijk?, omdat ook daar wordt gekeken naar risicovergroting door een bepaalde taak of situatie.
Hoe zit het met uitgeleende of ter beschikking gestelde werknemers?
Bij uitzend- en inleensituaties wordt het nog interessanter. Dan rijst de vraag of de formele werkgever, de inlener of misschien beiden aansprakelijk zijn. De Asser-literatuur laat zien dat in beginsel de formele werkgever aansprakelijk blijft, maar dat daarnaast ook aansprakelijkheid van de inlener kan bestaan als deze feitelijk instructiebevoegdheid en zeggenschap over de relevante gedragingen had. Slechts in uitzonderingsgevallen kan de formele werkgever buiten beeld raken. In de praktijk is dit dus sterk afhankelijk van de overeenkomst en de wijze waarop feitelijk aan de arbeidsrelatie uitvoering werd gegeven. Dat maakt een zorgvuldige dossieranalyse onmisbaar.
Waarom is deze afbakening zo belangrijk?
Omdat op dit punt veel zaken worden gewonnen of verloren. Wie te snel aanneemt dat iemand een ondergeschikte is, kiest mogelijk de verkeerde grondslag. Wie te snel het tegendeel aanneemt, laat misschien een verhaalbare aansprakelijke partij liggen. Juist daarom moet steeds nauwkeurig worden gekeken naar de gezagsverhouding, de taak, de zeggenschap en het verband tussen het werk en de fout.
Is hier sprake van een ondergeschikte? Twijfelt u of de foutmaker juridisch als ondergeschikte moet worden gezien en of art. 6:170 BW van toepassing is? Vittoria Law beoordeelt graag de juiste grondslag.










