Wanneer is iets onrechtmatig? De drie gronden van art. 6:162 BW
Wanneer is iets onrechtmatig?
De vraag wanneer iets juridisch onrechtmatig is, wordt vaak gesteld en terecht. Veel mensen voelen goed aan dat bepaald gedrag niet door de beugel kan, maar weten niet of dat juridisch ook genoeg is. Het Nederlandse aansprakelijkheidsrecht geeft daarop een precies antwoord. Een gedraging is onrechtmatig wanneer zij een inbreuk op een recht vormt, in strijd is met een wettelijke plicht, of in strijd is met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.
Wat betekent onrechtmatig in juridische zin?
Onrechtmatigheid betekent in het civiele recht niet simpelweg dat iets onfatsoenlijk of onbehoorlijk is. Het gaat om een juridisch oordeel dat past binnen de systematiek van art. 6:162 BW. Die bepaling vraagt om een nauwkeurige kwalificatie van het gedrag. Het is daarom niet genoeg om te stellen dat iets “niet mocht”. De eiser moet ook duidelijk maken langs welke juridische route dat oordeel wordt bereikt.
Voor de basis van dit leerstuk leest u ook ons artikel over wat een onrechtmatige daad is.
Welke drie gronden noemt art. 6:162 BW?
De eerste grond is de inbreuk op een recht. Daarbij kan worden gedacht aan aantasting van eigendom, lichamelijke integriteit, eer en goede naam of privacy. De tweede grond is strijd met een wettelijke plicht. Dat betreft het handelen of nalaten in strijd met een wettelijk gebod of verbod. De derde grond is strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Dat is de open zorgvuldigheidsnorm, die in de praktijk een groot deel van de onrechtmatige daadszaken draagt.
Wat veranderde door Lindenbaum/Cohen?
Het klassieke arrest Lindenbaum/Cohen markeert de ommekeer in het Nederlandse onrechtmatigheidsbegrip. Daarvoor werd onrechtmatigheid te eng uitgelegd, alsof alleen een expliciete wetschending voldoende was. Met Lindenbaum/Cohen erkende de Hoge Raad dat ook handelen in strijd met maatschappelijke zorgvuldigheid onrechtmatig kan zijn. Die verruiming is later in art. 6:162 lid 2 BW gecodificeerd. Daarmee kreeg het aansprakelijkheidsrecht de flexibiliteit om ook gedragingen te sanctioneren die niet letterlijk in een wetsbepaling zijn omschreven, maar wel duidelijk ontoelaatbaar zijn.
Waarom is de juiste juridische grondslag zo belangrijk?
Het maakt in de praktijk uit of onrechtmatigheid wordt gebaseerd op rechtsinbreuk, wetschending of maatschappelijke onzorgvuldigheid. Die keuze beïnvloedt vaak de verdere beoordeling van bewijs, relativiteit en schadeomvang. Een zaak die juridisch op het verkeerde spoor wordt gezet, verliest scherpte. Omgekeerd wint een aansprakelijkheidsstelling aan kracht wanneer precies wordt benoemd welke norm is geschonden en waarom het recht die schending in dit geval als onrechtmatig kwalificeert. Meer over de categorie rechtsinbreuk leest u in ons artikel over inbreuk op een recht en subjectieve rechten.
Hoe werkt dit in een concrete aansprakelijkheidszaak?
In concrete zaken is het vaak nodig om meerdere gronden naast elkaar te bekijken. Eenzelfde gedraging kan bijvoorbeeld zowel in strijd zijn met een wettelijke norm als met maatschappelijke zorgvuldigheid. Toch blijft het van belang dat de juridische analyse onderscheid maakt tussen die routes. Dat voorkomt slordigheid in de opbouw van de vordering en helpt de rechter om de zaak langs de juiste lijnen te beoordelen.
Voor zaken waarin een duidelijke norm is overtreden, leest u ook ons artikel over strijd met een wettelijke plicht en civiele aansprakelijkheid.
Wilt u weten of bepaald gedrag juridisch als onrechtmatige daad kwalificeert? Wij beoordelen graag de juiste grondslag van uw vordering of verweer.










