Wanneer bent u aansprakelijk voor een gebrekkige zaak, opstal of dier?

In het kort. Het burgerlijk recht kent drie bepalingen die aansprakelijkheid leggen bij degene die een voorwerp, een gebouw of een dier onder zich heeft, zonder dat hem een fout hoeft te worden verweten: artikel 6:173 BW voor roerende zaken, artikel 6:174 BW voor opstallen en artikel 6:179 BW voor dieren. Wie schade lijdt hoeft dus niet aan te tonen dat de ander onzorgvuldig is geweest, maar wel dat de zaak of de opstal niet voldeed aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mocht stellen, of dat de schade voortkomt uit de eigen energie van het dier. Wordt het voorwerp in een bedrijf gebruikt, dan verschuift de aansprakelijkheid op grond van artikel 6:181 BW van de bezitter naar de ondernemer, en een aansprakelijkstelling aan het verkeerde adres kost maanden. Geen van de drie bepalingen is een garantie: de tenzij-regel, het causaal verband en de eigen schuld begrenzen haar alle drie. Staat de aansprakelijkheid vast of is zij voldoende aannemelijk, dan komen de redelijke kosten van rechtsbijstand op grond van artikel 6:96 lid 2 BW voor rekening van de aansprakelijke partij. Het eerste gesprek is kosteloos.

Twijfelt u wie er voor uw schade moet opdraaien?

Leg uw zaak kosteloos voor. U spreekt een advocaat, geen intakeformulier. Bel 035 – 203 11 62 of mail info@vittorialaw.nl.

Bespreek uw zaak

Drie bepalingen, en de eerste vraag is welke van de drie uw zaak beheerst

De wet maakt onderscheid naar het voorwerp waardoor de schade is ontstaan, en dat onderscheid bepaalt onmiddellijk wat er moet worden bewezen. Artikel 6:173 BW ziet op roerende zaken: alles wat tastbaar is en niet duurzaam met de grond is verbonden, van een wasdroger tot een ladder, een accu, een heftruck of een aanhangwagen. Artikel 6:174 BW ziet op opstallen, dat wil zeggen gebouwen en werken die wél duurzaam met de grond zijn verenigd, en dat begrip is ruimer dan het op het eerste gezicht lijkt: ook muren, schuttingen, trappen, liften, balustrades, leidingen, wegen en dijken vallen eronder. Artikel 6:179 BW ten slotte gaat over dieren, die de wet uitdrukkelijk niet als gewone zaken behandelt.

Die afbakening is geen formaliteit. Valt uw schade buiten alle drie — een omgewaaide boom, een natuurlijke helling, een natte vloer, een rondslingerend voorwerp — dan bestaat er geen risicoaansprakelijkheid en moet u op grond van artikel 6:162 BW aantonen dat de ander onzorgvuldig heeft gehandeld. Dat is een aanzienlijk zwaardere opgave, en het is de reden waarom in ieder dossier eerst wordt vastgesteld welke bepaling van toepassing is.

Risicoaansprakelijkheid betekent niet dat de uitkomst vaststaat

Wie hoort dat het om een risicoaansprakelijkheid gaat, denkt al snel dat de zaak gewonnen is. Dat is onjuist. De wetgever heeft de benadeelde willen besparen dat hij achterhaalt of een gebrek is terug te voeren op een bouwfout, op achterstallig onderhoud of op iets anders; dat onderzoeksrisico is bij de bezitter gelegd. Meer dan dat is het niet. Geen van de drie bepalingen houdt in dat iedere schade die in de buurt van een voorwerp ontstaat voor rekening van de bezitter komt.

Dat betekent in de praktijk twee dingen. Dat er schade is ontstaan, bewijst nog niet dat de zaak of de opstal gebrekkig was; sommige gebeurtenissen, zoals een instortend balkon of een apparaat dat zonder aanwijsbare externe oorzaak in brand vliegt, leveren wel een vermoeden op dat de wederpartij mag ontzenuwen. En andersom sluit het voldoen aan veiligheidsvoorschriften een gebrek niet uit, terwijl afwijking van een niet-dwingende norm het voorwerp niet zonder meer gebrekkig maakt. Voorschriften wegen zwaar, maar beslissen niets.

Wanneer een roerende zaak gebrekkig is

Artikel 6:173 BW stelt een eis die vaak wordt overgeslagen: het moet gaan om een bijzonder gevaar waarvan algemeen bekend is dat het zich bij zo’n gebrek voordoet. Een kettingzaag, een slagersmes en een gasfles zijn gevaarlijk, maar niet gebrekkig; dat gevaar hoort bij de zaak zoals zij is bedoeld. Pas wanneer de zaak een afwijking vertoont die een gevaar oplevert dat men niet hoefde te verwachten, komt de bepaling in beeld.

Daarnaast kent artikel 6:173 BW een verwijzing naar de productaansprakelijkheid. Is het gebrek een productgebrek, dan is niet de bezitter maar de producent aansprakelijk — tenzij aannemelijk is dat het gebrek pas na het in het verkeer brengen is ontstaan, door slijtage, een ondeskundige reparatie of gebrekkig onderhoud. Juist op dat punt wordt de discussie gevoerd, en wie zijn vordering tot de verkeerde partij richt verliest tijd die hij niet heeft. Hoe die beoordeling precies loopt en wat u na een aansprakelijkstelling moet doen, staat op aansprakelijkheid voor gebrekkige zaken.

Wanneer een opstal gebrekkig is

Bij opstallen draait alles om de vraag of het gebouw of werk, gelet op het te verwachten gebruik, met het oog op de voorkoming van gevaar deugdelijk was. De Hoge Raad heeft daarbij dezelfde gezichtspunten aanvaard die ook bij gevaarzetting gelden: hoe groot de kans op schade was, hoe ernstig de gevolgen konden zijn en hoe bezwaarlijk het was maatregelen te treffen. Anders dan bij roerende zaken speelt bekendheid met het gebrek geen rol: dat de eigenaar niets wist en niets kon weten, staat aan aansprakelijkheid niet in de weg.

Wat men aan een opstal mag verlangen verschilt bovendien sterk per geval. Aan een voor publiek toegankelijk gebouw worden hogere eisen gesteld dan aan een afgesloten loods, en aan een als zodanig herkenbaar slooppand vrijwel geen. De uitwerking daarvan, met de positie van de erfpachter, de leidingbeheerder en de medebezitter, staat op aansprakelijkheid voor opstallen.

Waarom voor dieren een eigen regeling geldt

Een dier is geen zaak, en de wet behandelt het ook niet zo. Artikel 6:179 BW legt het risico van de onberekenbare eigen energie van het dier bij de bezitter: de hond die uitvalt, het paard dat schrikt, het vee dat op hol slaat. Ontbreekt dat element, dan ontbreekt de aansprakelijkheid, en dat is minder theoretisch dan het klinkt. Toen varkens ontsnapten en een besmettelijke ziekte overbrachten op het vee van een buurbedrijf, werd het overslaan van die besmetting niet aangemerkt als een gedraging die uit de eigen energie van het dier voortkomt.

De begrenzing is bij dieren bovendien anders geformuleerd dan bij zaken en opstallen. Er wordt niet gefingeerd dat de bezitter het gevaar kende, maar dat hij de gedraging van het dier in zijn macht had; de vraag is vervolgens of dat handelen onrechtmatig zou zijn geweest. Wie een inbreker in zijn woning betrapt en wiens hond de indringer grijpt, is voor diens letsel niet aansprakelijk, omdat hij dat handelen zelf door noodweer gerechtvaardigd had kunnen doen. Meer daarover op aansprakelijkheid voor dieren.

Spreekt u de bezitter aan, of de onderneming die het voorwerp gebruikte?

De hoofdregel is dat de bezitter aansprakelijk is: degene die de zaak voor zichzelf houdt, doorgaans de eigenaar. Wie iets leent, huurt of in bewaring heeft is houder en geen bezitter, zodat de eigenaar aan zet blijft. Bij een opstal wordt degene die in de openbare registers als eigenaar staat ingeschreven vermoed de bezitter te zijn, en zijn er meer bezitters, dan zijn zij hoofdelijk aansprakelijk.

Die hoofdregel wordt doorbroken door artikel 6:181 BW, en dat is in de praktijk het belangrijkste scharnierpunt. Wordt de zaak, de opstal of het dier gebruikt in de uitoefening van een bedrijf, dan rust de aansprakelijkheid op degene die dat bedrijf uitoefent. Wie een steiger huurt, een heftruck leaset of een paard in zijn manege inzet, kan dus zelf worden aangesproken zonder eigenaar te zijn; en wordt het voorwerp ter beschikking gesteld voor gebruik in het bedrijf van een ander, dan is die ander de aansprakelijke partij. Let op één verschil dat vaak wordt gemist: de uitzondering waarop een bedrijfsmatige gebruiker zich kan beroepen — dat het ontstaan van de schade niets met zijn bedrijfsuitoefening te maken heeft — geldt uitsluitend bij opstallen. Bij roerende zaken en bij dieren kent de wet die ontsnapping niet. Wie in welke hoedanigheid het voorwerp onder zich had op het moment van het ongeval is daarom een van de eerste vragen die wij stellen; het antwoord bepaalt niet alleen de wederpartij, maar ook welke verzekering dekking biedt.

De tenzij-regel houdt de aansprakelijkheid binnen redelijke grenzen

Alle drie de bepalingen eindigen met dezelfde constructie: aansprakelijkheid ontbreekt indien zij ook op grond van de gewone onrechtmatige daad zou hebben ontbroken wanneer de bezitter het gevaar op het tijdstip van ontstaan had gekend. De wet abstraheert dus van de onbekendheid met het gebrek, maar niet van de overige omstandigheden.

Praktisch betekent dat vooral iets in twee situaties. De eerste is het gebrek dat zo kort voor het ongeval ontstond dat zelfs bij onmiddellijke bekendheid geen maatregel meer mogelijk was. De tweede is het gebrek dat uitsluitend door toedoen van de benadeelde zelf is ontstaan, of het gebruik tegen een uitdrukkelijke instructie in. Voor wie wordt aangesproken is dit vaak de belangrijkste verdedigingslinie, maar het verweer slaagt alleen met een precieze feitelijke onderbouwing; bij opstallen is het zelfstandige belang ervan bovendien afgenomen, omdat bij de gebrekkigheidsvraag al wordt getoetst wat bij veronderstelde bekendheid met het gevaar aan onderhoud mocht worden verwacht.

Welke verweren de aangesproken partij verder heeft

Het meest onderschatte verweer is het causaal verband. Dat een trap gebrekkig was, betekent nog niet dat het gebrek de val heeft veroorzaakt: struikelde het slachtoffer door een misstap, dan ontbreekt de vereiste oorzakelijkheid. Daarnaast wordt vrijwel standaard een beroep gedaan op eigen schuld in de zin van artikel 6:101 BW, en dat verweer slaagt geregeld, zeker waar het gevaar zichtbaar was of waar was gewaarschuwd. Hoe die twee vragen worden opgebouwd en bewezen, leest u bij causaal verband en bewijs.

Twee bijzonderheden verdienen aparte vermelding. Verzekeraars die na uitkering de schade willen verhalen, kunnen zich op grond van artikel 6:197 BW niet op de risicoaansprakelijkheid beroepen en moeten hun vordering op artikel 6:162 BW bouwen; voor de benadeelde zelf geldt die beperking niet. En de vordering verjaart vijf jaar nadat u bekend werd met zowel de schade als de aansprakelijke persoon, en in elk geval twintig jaar na de gebeurtenis. Stuiting is eenvoudig, maar moet tijdig en aantoonbaar gebeuren. Wie als bezitter moet betalen voor een gebrek dat een aannemer, installateur of architect heeft veroorzaakt, kan de schade in beginsel op hem verhalen.

Wat u moet doen als u schade heeft geleden

Leg vast wat er is gebeurd voordat de situatie verdwijnt. Foto’s van het voorwerp en van de plek, met iets ter referentie van de afmetingen, namen van getuigen, een schriftelijke melding bij de eigenaar of beheerder en, bij letsel, een gang naar de huisarts of de spoedeisende hulp zodat het letsel is gedocumenteerd. Vraag de wederpartij uitdrukkelijk het voorwerp te bewaren en niet te herstellen, en vraag vroeg om onderhouds-, inspectie- en keuringsdocumentatie: juist daaruit blijkt of het gevaar kenbaar was.

Stel vervolgens schriftelijk aansprakelijk en bewaar het bewijs van verzending. Wachten is onverstandig, ook al is de verjaringstermijn nog lang niet verstreken. Het gebrek wordt hersteld, het apparaat gaat weg, getuigen vergeten details en de wederpartij krijgt de gelegenheid het verhaal te kleuren.

Wat u moet doen als u aansprakelijk bent gesteld

Reageer niet inhoudelijk voordat u weet waar u staat. Een welgemeende eerste reactie wordt later als erkenning gelezen. Bevestig de ontvangst, en vraag om onderbouwing: wat is er precies gebeurd, welke schade is er, welk onderzoek is verricht en wat blijkt daaruit.

Meld de aanspraak daarna direct bij uw verzekeraar — voor particulieren de aansprakelijkheidsverzekering, voor ondernemers de bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering — want polissen eisen tijdige melding en te laat melden kan dekking kosten. Heeft u een rechtsbijstandverzekering, dan heeft u zodra er wordt geprocedeerd het recht zelf een advocaat te kiezen op kosten van die verzekeraar; hoe u dat inroept staat bij vrije advocaatkeuze.

Wat wij voor u doen

Wij bouwen de zaak op vanaf het leerstuk dat haar beslist. Dat begint bij de vraag welke van de drie bepalingen van toepassing is en wie daarvoor moet worden aangesproken, want daar loopt een dossier het vaakst op vast. Vervolgens wordt bezien welk bewijs er werkelijk is en welk bewijs nog kan worden veiliggesteld, en of een technisch of medisch oordeel nodig is; daarin wordt voorzien, en over de vraagstelling aan de deskundige wordt meegedacht. Per zaak bekijken wij welke route het snelst tot een uitkomst leidt — onderhandeling, een deelgeschil of een bodemprocedure. U spreekt daarbij de advocaat die uw dossier ook voert.

Wat het u kost

Staat de aansprakelijkheid vast of is zij voldoende aannemelijk, dan komen de redelijke kosten van rechtsbijstand op grond van artikel 6:96 lid 2 BW voor rekening van de aansprakelijke partij, en dat geldt ook voor de kosten van het deskundigenbericht. Is de aansprakelijkheid nog in geschil, dan maken wij vooraf een heldere afspraak; wat dat inhoudt leest u op kosten. Met een rechtsbijstandverzekering bestaat vrije advocaatkeuze zodra er wordt geprocedeerd. Het eerste gesprek is in alle gevallen kosteloos.

Neem contact op

Stuur de aansprakelijkstelling of een korte beschrijving van wat er is gebeurd, met foto’s. U hoort binnen één werkdag hoe uw positie is, of uw verzekering de kosten draagt en wat de verstandige eerste stap is. Bel 035 – 203 11 62 of mail info@vittorialaw.nl.

Bespreek uw zaak

Veelgestelde vragen

Ik wist niet dat er iets mis was. Ben ik dan toch aansprakelijk?

In beginsel wel. Deze bepalingen vragen geen schuld en geen wetenschap; de vraag is of het voorwerp objectief aan de eisen voldeed. Onwetendheid helpt u pas via de tenzij-regel, wanneer u ook met kennis van het gevaar niets had kunnen of hoeven doen.

Ik had het apparaat uitgeleend. Wie is aansprakelijk?

U. Wie een zaak leent is houder en geen bezitter, zodat de aansprakelijkheid bij u blijft. Dat is alleen anders wanneer de lener de zaak in zijn bedrijf gebruikte; dan verschuift zij op grond van artikel 6:181 BW naar hem.

Ik huur een pand voor mijn bedrijf. Ben ik aansprakelijk voor een gebrek aan dat pand?

Ja, tenzij u aantoont dat het ontstaan van de schade niets met uw bedrijfsuitoefening te maken heeft. Die uitzondering geldt uitsluitend bij opstallen; huurt u een machine of houdt u een dier in uw bedrijf, dan kent de wet haar niet.

Valt een omgewaaide boom hieronder?

Nee. Bomen en beplanting zijn geen opstal en geen roerende zaak in de zin van deze regeling. Schade daardoor moet op artikel 6:162 BW worden gebaseerd, en dan moet u wel aantonen dat de eigenaar onvoldoende heeft gecontroleerd of ingegrepen.

Kan ik mijn partner aanspreken als wij samen eigenaar zijn?

Bij een gebouw wel, maar niet voor het geheel: een medebezitter draagt zelf het deel van de schade dat overeenkomt met zijn eigen aandeel, zodat bij gelijk gedeeld bezit de helft verhaalbaar blijft. Bij een dier ligt het anders; daar bestaat die aanspraak tussen medebezitters niet.

Hoe lang kan ik nog worden aangesproken?

Vijf jaar nadat de benadeelde bekend werd met zowel zijn schade als met u als aansprakelijke, en in elk geval twintig jaar na de gebeurtenis. Een aansprakelijkstelling over een ongeval van drie jaar geleden is dus in beginsel nog op tijd.

Verwante onderwerpen